Wat je hiermee voornamelijk mee kunt beïnvloeden is de manier waarop beweging wordt weergegeven in je foto. Bij een snelle sluitertijd vangt de camera ieder detail van een beweging. Een springend kind kan bijvoorbeeld haarscherp worden gefotografeerd.
Bij een trage sluitertijd registreert de sensor alle informatie die gedurende de tijd dat het open stond binnenkomt. Je zult al snel een statief moeten gebruiken wil je dan nog een scherpe foto kunnen schieten. En al gebruik je een statief, alles wat beweegt wordt alsnog vanwege de lange sluitertijd vervaagd. Dit is dus mooi te gebruiken bij bijvoorbeeld stromend water of vuurwerk.
Dankzij de snelle sluitertijd worden de vleugels scherp weergegeven. De lamellen gaan open en dicht in een fractie van een seconde (in dit geval in 1/2500e van een seconde) waardoor de camera deze papegaaiduiker heeft kunnen bevriezen.
Bij onderstaande foto is een trage sluitertijd gekozen. Bewegende onderdelen worden dan in beweging gefotografeerd en in deze foto geeft dat het uitgewaaierde effect. De wolken zijn nog zachter en het water krijgt een melkachtige uitstraling.
Over het algemeen wordt de sluitertijd in de vorm van een breuk weergegeven. 1/1000 is dus één duizendste van een seconde. Dit is een hele snelle sluitertijd. Hoe hoger het getal achter de streep hoe sneller de sluitertijd is. 1/10e is dus een trage sluitertijd en 1/250e is een stuk sneller.
Wanneer er staat 1,6″ dan lees je 1,6 volle seconden. Zodra er dubbele haakjes achter staan dan heb je het over seconden. Hoe hoger dit getal hoe trager het wordt, want 10″ (10 seconden) is langer dan 1″ (1 seconde).
In de M of Tv/S stand kun je de sluitertijd meestal aanpassen met het best bereikbare wieltje op je camera. Meestal degene die rechtsboven vlakbij de opnameknop zit.
Het toegewezen wieltje en dus de sluitertijd wordt vaak gebruikt voor de aanpassing van je licht. Meestal laat je het diafragma vast staan, tenzij je een ander diafragma effect wil bereiken.
Om een foto goed te belichten zijn de volgende drie factoren van belang.
Deze drie factoren moeten met elkaar in balans zijn, deze balans wordt vaak aangeduid door middel van de belichtingsdriehoek. Wanneer de driehoek volledig evenwijdig is dan heb je een globale belichting gekozen. Het is natuurlijk leuk om daar ook zo nu en dan een beetje van af te wijken. Maar het is altijd goed om de balans in de gaten te houden. Hoe dit werkt leer je in de basiscursus digitale fotografie.
Meer informatie over SLUITERTIJD of ISO vind je in een van deze blogs: